Toegepaste kunst – Cees Blij

Als onderwijzer word je regelmatig met opmerkingen van leerlingen geconfronteerd waarvan je denkt: ‘Dat moet ik opschrijven’. Maar dat doe je eigenlijk nooit, omdat je denkt dat komt wel of ik onthoud het wel. De leerkracht die wel een heel boekje met uitspraken van leerlingen publiceerde verkocht er tienduizenden exemplaren van en kan van de royalty’s stil gaan leven. Het gaat vaak om versprekingen, een woord gebruikt in de verkeerde context of gewoon een woord verkeerd gebruikt vanwege de gelijkenis van het woord met het juiste woord. Zo zei een leerling bij mij in de klas, naar aanleiding van een kringgesprek over adoptie via het Foster Parentsplan: “Meester, op mijn vorige school hadden we met de hele klas een kindje uit India geaborteerd”. Alleen ik was degene die de vergissing bemerkte, de andere leerlingen luisterden aandachtig verder. Een andere keer kwam een alleenstaande collega, type dragonder, boos verhaal bij me halen. Waarom had ik een leerling opdracht gegeven om de grote vibrator bij haar te komen halen. Het kostte me heel veel moeite om haar ervan te overtuigen dat mijn intenties oprecht waren en de boodschap aan de leerling was geweest: “Ga jij even de grote perforator bij juffrouw Anneke halen”. Sindsdien bleef onze relatie toch sterk bekoeld. Soms betreffen het ook uitspraken met een zekere filosofische waarde die de leerlingen zelf nauwelijks doorgronden.

Kampioen van de klas

In één van mijn klassen zaten een aantal jongens die gek waren op tafeltennis. Het was in de tijd dat ook Bettine Vriesekoop haar grote triomfen vierde. Zodra het brood tussen de middag op was, werden er een aantal tafels tegen elkaar geschoven, daarop kwam een plaat hardboard en daarover werd halverwege een netje gespannen. Vervolgens werd er drie kwartier fanatiek getafeltennist. We hanteerden het eenvoudige systeem: de winnaar gaat door. Na iedere set, die tot de 11 ging, bleef de winnaar staan en kwam de volgende tegenstander aan de beurt. Raoef en Hassan waren daarbij de kampioenen van de klas.

Geklieder in het Stedelijk

In die tijd ging ik vaak met de leerlingen op excursie, want volgens mij leren ze op één zo’n uitstapje meer dan een hele week op school. Voor de groep leerlingen uit de Pijp waar ik toen mee werkte waren het bijna vakanties, omdat ze heel weinig buiten kwamen vanwege de smalle portemonnee van hun ouders en pedagogisch onvermogen. Zo gingen we ook een keer naar het Stedelijk museum. Het enige werk wat ze werkelijk boeide was het café van Kienholz. Dit kunstwerk kun je daadwerkelijk betreden. Het interieur vormt een café waarbij muziek uit de jukebox klinkt en geroezemoes de ruimte vult. De cafébezoekers hebben klokken in plaats van hoofden. Dit laatste werd heel intrigerend gevonden door de leerlingen. De gang door het museum leek verder enigszins op een deceptie uit te lopen. De leerlingen waren niet erg onder de indruk van de daar tentoongestelde kunstwerken. Vooral voor de abstracte schilderijen hadden ze weinig lovende woorden over. Kreten als: “Wat een geklieder,” en “Dat kan mijn kleine zussie ook,” waren niet van de lucht, ook al probeerde ik hen als een ware kunstkenner van het tegendeel te overtuigen.

Kleurvlakken

Na een tijdlang door het museum te hebben gelopen, gesjokt is hier de betere term, rustten we op een bank in één der zalen een beetje uit. Aan de muren hingen enorme schilderijen van Barnett Newman. Doeken die hoofdzakelijk bestaan uit grote kleurvlakken. Zijn bekendste werk is Who’s afraid of red. yellow en blue. Later het slachtoffer van een kunstvandaal en een foute restauratie. Tegenover de bank waar wij zaten hing een doek van vijf meter lang bij tweeënhalve meter hoog, Cathedra getiteld. Het was helemaal donkerblauw, alleen vrijwel in het midden liep een verticale witte streep. Voor de vuist weg, het was mijn laatste poging om de leerlingen de noodzakelijkheid van dit werk te laten inzien, vroeg ik wat ze ervan vonden.

“Nou meester, ik zou het wel thuis willen hebben,” zei Raoef, een jongen die ik al enige tijd geobsedeerd naar het schilderij had zien kijken.

Eindelijk iemand die enige waardering voor moderne kunst kan opbrengen, dacht ik. Ik was nieuwsgierig naar de esthetische gevoelens die dit schilderij bij hem hadden losgewoeld.

“Zou je het in je kamer aan de muur willen hangen?” vroeg ik oprecht geïnteresseerd.

“Nee meester, ik zou er een tafeltennis van maken,” klonk het bijna lyrisch uit zijn mond, terwijl zijn ogen blonken van gretigheid.

Popart leeft!

Hier voltrok zich iets bijzonders. Een Amsterdamse volkjongen had in zijn onwetendheid vrijwel dezelfde mentale sensatie als Marcel Duchamp aan het begin van de 20ste eeuw moet hebben gehad. Met dit verschil dat Duchamp een urinoir uit zijn alledaagse omgeving isoleerde en die tot kunst verklaarde. Deze readymade noemde hij, eenmaal geplaatst in het museum, Fountain. Raoef deed hier het omgekeerde, hij nam een gerenommeerd kunstwerk en verklaarde dat tot gebruiksvoorwerp. Kortom een denkoperatie die duidde op grote mentale diepgang. Toch zullen we Raoef later vergeefs zoeken in de kunstcatalogi, vandaar deze column.

Onwetend van zijn eigen creativiteit bleven Raoefs ogen nog enkele minuten verlangend en geïmponeerd aan het bijzondere schilderij hangen. Geef de kunst terug aan het volk, dacht ik toen ik met mijn groep het museum verliet.

Popart is niet dood het leeft.

Cees